Dichter: Pruiksma, Anco Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
Waar het duister was gebonden
in zeven dagen licht,
had God de mens gezonden
Hij gaf hem overwicht
 
Mens leefde bij de gratie:
De schepping in Gods macht.
Een wereld vol vibratie,
vast ritme, dag en nacht.
 
De zonnegloed was nooit te sterk;
de zee won niet van ‘t land...
En zie, dit al was ‘s Heren werk;
het maaksel van Zijn hand.
 
En van dit mooi  principe
genoot de mens volop;
zijn plaats was niet het diepe
en niet de hoge top.
 
Maar in het gebied van scheiding
van vloed en hemels vuur,
daar kreeg de mens de leiding;
God gaf hem Zijn natuur.
 
Mens leefde er in vrede,
gehoorzaam aan ‘t gebod:
Bewerk de hof van Eden;
bewaar de tuin van God.
 
Het ware harmonieuze
was grond van zijn bestaan,
doch ‘t hing aan vrije keuze;
geen voorgestuurde baan.
 
Mens mocht van bomen eten,
doch niet van die centraal.
Die dis van slangenbeten
zou worden galgenmaal.
 
Die boom stond daar als grenspaal
verankerd in de grond.
Zijn wortelen, zeer diep gedaald,
doolden in d’ oervloed rond.
 
De vruchten hoog in het lover;
waar het licht op ‘t duister botst.
Het bladerscherm daarover;
verhuld mysterie Gods.
 
Het duister verwerkt, verheven...
van bloem, tot vrucht, tot zaad;
daarna het nieuwe leven,
zo won het goed van ‘t kwaad.
 
In de koelte van de avond,
zacht ruisen van de wind,
ging ook de Heer zich laven,
genieten van Zijn kind.
 
God schouwd' en zag: Alles was goed;
de schepping was in rust....
Toch was daar adderengebroed;
een kaper op de kust.
 
Eens sloop de satan binnen
als de zeer sluwe slang.
Hij sprak in schone zinnen:
Wie sterk is, is niet bang.
 
Hij sprak op fraaie tonen:
Neem van die vrucht en leef
en reik tot regionen,
waar God 't alleenrecht heeft.
 
Neem maar eens weg die scheidslijn
en al wat mij weerstaat,
dan zal je zoals God zijn;
kennende goed en kwaad.
 
En het is toch immers zinloos,
denk maar verstandig na,
want wat is goed en wat is boos;
wie maakt uit ‘nee’ of ‘ja’?
 
Ga het voortaan zelf bepalen
en ge zult zijn als God.
Woel bergen door de dalen;
elk onderscheid is zot.
 
Er hoeft geen strijd te wezen,
geen enkele vijand meer....
wat zou je dan nog vrezen?
Je bent je eigen heer!
 
Toen schoot in mens gedachten:
Eeuwige resonans!
Verzoening van de machten;
een altoos durende trance.
 
Daar wil ik gaarne wonen,
daar wil ik midden in;
geen machten meer, geen tronen;
slechts nog gelijkheidszin.
 
Mens suste zijn geweten
en ‘t enige verbod:
‘Gij zult daarvan niet eten ,
breekt geen verzegeld slot!
 
De diepte komt dan boven
en opwaarts rukt de vloed;
‘t zal brekend rotsen kloven
het kwaad dringt in je bloed.’
 
Gesteund door zijn geliefde
at Adam toch die vrucht.
Hij deed wat God zeer griefde,
toen sloeg hij op de vlucht.
 
Ontdekt werd hij, gevonden,
onthuld, van schild ontdaan.
De mens werd naakt bevonden,
en kaal werd zijn bestaan.
 
Vertwijfeld zocht hij weder
bescherming van de boom.
God ruilde dit voor leder,
de mens viel uit Zijn toom.
 
De wacht over ‘t goed en ‘t kwade
was niet meer aan de mens.
het werd leven zonder kader,
een vlakte zonder grens.
 
De mens werd weggedreven,
verjaagd uit ‘s Heren hof.
Weg van de boom van het leven
alles van glans werd dof.
 
Cherubs sloten de toegang,
bewaakten de hof met zwaard.
En ondanks des mensen zoekdrang,
...die grens bleef daar bewaard
…..tot
 
Tweeduizend jaar geleden,
de hof Getsémane,
Daar heeft Gods Zoon gestreden...
Geen mens streed met Hem mee.
 
Verkocht door een verrader,
Iskariot genoemd
Gescheiden van Zijn Vader,
Tot Offerlam gedoemd,
 
Van ‘t hoogste tot aan ‘t laagste
bood God Zijn Mensenzoon,
en ‘t allergrootste waagstuk
spande des hemels kroon.
 
Het werd een strijd van machten;
duivel, satan, demoon
en honderdduizend krachten
bestookten Gods een´ge Zoon.
 
Toen gaf die Mens zich over;
Hij durfde het duister aan.
Men rekende Hem tot rover,
liet Hem in boeien slaan.
 
Een leeggegeten kaal stuk hout
wortelde men in de grond.
Daaraan hing men die Mens zeer bout
met zevenvoudig’ wond.
 
De vrucht herplaatst in donkere nacht,
hing weer in ‘t paradijs.
Nadat de rijping was volbracht
volgde een zware reis.
 
De dood werd aangevochten,
maar Godes Zoon hield stand.
De duivelse gedrochten
kregen geen overhand.
 
De slang heeft het verloren,
de liefde won van haat.
Een nieuw licht werd geboren.
In het graf ontkiemde zaad.
 
De nieuwe morgen gloorde;
het evenwicht hersteld.
Jezus als eens vermoorde
stond op als sterke Held.
 
Christus vraagt nu: Kom eten.
Kom eet mijn vlees en drink.
De Boom des Levens nodigt
Toe Adam, wees maar flink!