Dichter: Klok-Stam, Marian Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
Vroeger, in mijn jonge jaren,
toen ik als de jongste zoon
zelf de wereld ging ervaren,
weg van thuis, met eigen loon,
 
voelde ik mij vrij; vol leven;
vrienden plots in overvloed.
Dronken worden, feesten geven,
daarin werd ik heel snel goed.
 
Uitgebreid en luxe dinertje;
ook dat was ik snel gewend;
met steeds weer een nieuw logeetje,
’t kostte me mijn laatste cent.
 
Snel vertrokken al mijn maten;
’t vlees was op, droog brood te min.
Mantel werd een jas vol gaten
dus moest ik met tegenzin
 
eerst op zoek gaan naar wat eten;
werk vond ik als varkensboer;
‘k was alleen, en door mijn honger
at ik mee daar van hun voer.
 
Toen pas dacht ik aan mijn Vader;
tranen welden in mij op;
wat een schuld had ik als dader;
mijn genieting stond voorop.
 
Zou Hij mij kunnen vergeven?
nergens is ’t zo goed als thuis;
dus ik ging met angst en beven
weer terug op weg naar huis.
 
Wachtend sloeg Hij mij reeds gade,
bij mijn komst ‘t gezicht betraand;
blik vol liefde en genade:
Hij had Zelf de weg gebaand.