De schaduw doet zich zo groot voor.
Een vertekend beeld dat moed verloor.
Ogen worden weggetrokken
Takken als klauwen die ze lokken.

Twijfel speelt kil en snel,
zijn ademloos, verstikkend spel.
Alsof het Licht daar altijd faalt.
En je hopeloos verdwaalt.

Dan onverwacht een glimp van hoop:
Een spin die langzaam omhoog kroop.
Stil, volg ik hem met mijn ogen,
en zie: ik heb mijzelf bedrogen.

Een knipoog van Gods hogere plan,
vernietigt het rijk van satan.
Een ander perspectief,
Niet zwaar en depressief.

Wat zo machtig leek, wordt gestoord,
want rustig gloort de ochtend voort.
Kijk naar de Zon daar waar Hij staat,
Zonder Hem is schaduw nergens paraat.

De schaduw valt omlaag, Mijn kind,
zodat je haar beneden vindt.
De schaduw kan je uitdagen,
maar Ik kan haar verjagen.

Daar waar ze groots zal dreigen,
Zal verwondering stijgen.
Ze verliest haar stem,
Ziet slechts op Hem.

Hij breekt af wat geen vorm had,
Je hebt de schaduw overschat.
Hij bouwt, op wat steenloos scheen,
al gaan er stormen overheen.

Heb Ik je niet gevraagd omhoog te zien,
naar het Licht, misschien?
Dan zal Ik jouw kern verwarmen,
En draag Ik je in Mijn armen.
-

Reacties mogelijk gemaakt door CComment