Als Jezus, Heer, voor mij niet was gestorven,
En ik nog leefde, vol van zond' en schuld,
Dan had ik het eeuwig leven niet georven,
Zou, zelfs niet door Gods liefde, zijn verguld.

Hoe arm van geest, zou ik nu dan moeten leven,
Verstrengeld in satans armen, bij Jezus weggegrist,
Door wellust behept, de satan wou mij alles geven,
Maar wat heb ik als zondaar, mij daarin vergist.

Jezus, die voor mij uit liefde wilde sterven,
Om mij te verlossen, van alle zond' en schuld,
Dat ik door Hem, ’t eeuwig leven mocht erven,
Is door Jezus' sterven, geheel aan mij vervuld.

Nu mag ik God, die mij uit satans hand bevrijdde,
Aanbevelen, bij elk opstandig, zondig mens,
Zo trek ik op, en ga voor onze Heer ten strijde,
Om zo te vervullen, Gods aller diepste wens.

Want Hij, die stierf, maar opstond uit de dood,
Om ons, in Gods huis, een plaatsje te bereiden,
Hij is de opgestane Heer, een redder in de nood,
Geen aardse rijkdom kan mij van Hem scheiden.