Dichter: Kuyl, J. Jr. Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
Gij bad op eenen berg, alleen,
En ook niet een
Begreep, wat Gij moest duchten.
Gij wist:
"Waar ik ook ga of sta,
De crisis komt Mij achterna,
Ik kán haar niet ontvluchten".
En nu, als ik U bidden wil,
Wordt heel de wereld om mij stil;
Waar zou ik U niet vinden?
Ik ga het leven in, U na;
En, hoeveel kwaad ik ook bega,
Ik blijf toch Uw beminde.

Gij bad in eenen hof, alleen,
En ook niet een
Doorgrondde Uw naam'loos lijden.
Gij riept....
En 's Vaders afgezant
Moest tot den fellen altaarbrand
Der helsche smart U leiden.
En nu, als ik mijn levenslot
In handen geven wil van God,
Kan nies mij van Hem scheiden.
Al is het, dat de wereld sport,
Gij schenk mij elke dag 't genot,
Mij Hem geheel te wijden.

Gij bad aan 't vloekhout nog, alleen,
En ook niet een
Vermocht Uw trouw te breken.
"Volbracht!"
Dat is 't verlossend woord,
Dat Satan vol ontzetting hoort,
Maar dat mij vrij komt spreken.
En nu: ik kom in 't nieuwe jaar,
Met geen van Uw geboden klaar,
Maar Gij treedt tot ons nader;
Gij draagt ons schamele gebed,
Volmaakt geheiligd, onbesmet,
Voor 't aanschijn van den Vader.

Uit: Frontgedichten -J. Kuyl Jr.