Dichter: Kuyl, J. Jr. Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
 
Zij vluchtten heen; want aan 't geruis der boomen
Des hofs, welks schoonheid hen niet treffen kon,
Hoorden zij Hem in 't zacht gesuizel komen;
Hem, blinkend, helderder dan 't licht der zon.

Zijn Naam werd op hun lippen niet genomen;
Zij wisten, dat Zijn strafgericht begon
Over hen, die vermetel, zonder schromen
De rug toekeerden aan hun levensbron.

En Adam zei: "De vrouw, die Gij mij hebt gegeven
Heeft mij verleid; en zij: "De slang bedroog mij, Heer
"God sprak: "Gij slang, Ik vloek u, heel uw leven,

En Ik zet vijandschap op aarde neer,
Totdat het slangenzaad, dat Mij dorst wederstreven
Den kop vermorzeld is, en niet durft strijden meer.


                                      II

O paradijs, dat zag de eerstelingen vallen;
Dat treurde, toen des duivels zegezang weerklonk.
Toen Lucifer 't victorielied deed schallen
En in zijn oog een lach van moordlust blonk.

Gij hebt het ook gehoord, hoe aan de duizendtallen
Van 't nageslacht van hem, die in ellende zonk,
Beloofd werd d'eeuwge vreugde van Gods welgevallen,
Dat Hij hun in Zijn heilsbelofte schonk.

O, wond're liefde van Gods alvermogen,
O, dank're 'erinnering aan Zijn groote macht:
Verlossing, die gewrocht werd uit den hoogen,

Die op der eng'len aangezicht een glimlach bracht;
Die als een klaar bewijs van Godlijk mededoogen,
In 't Kindeke verscheen in stille, heil'ge nacht.

Uit: Frontgedichten -J. Kuyl Jr.