Dichter: Kuyl, J. Jr. Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
 
Daar, over 't water, rijst de slanke toren,
Scherp tegen 't blauw, zijn top van grijze lei,
Zijn wijzerplaat als goud in 't zonnegloren;
Hij daagt mij uit: "Wij hier, wij zijn al vrij!

"En wij, wij moeten huis en hof verlaten,
Om 's vijands onverbiddelijk gebod...
Wat somb're stoet op onze modderstraten!
't Is of die slanke toren met ons spot...

Begeerte en verdriet gaan in mij branden,
Omdat ons arme volk zoo lijden moet:
O, kon ik vliegen over deze landen,
De vrijheid en het leven tegemoet!

Ze staan gereed; ze gaan evacueeren;
Hun hoop en hun verwachting zijn gebluscht;
En langzaam sterft in hen het wee begeeren....
Waar vinden zij vanavond warmt' en rust?

O, kindje klein, waarom ben jij geboren?
Waarom die vreugd toen jij ter wereld kwam?
O, grijsaard, had je 't leven maar verloren,
Voordat men jouw je laatste hoop ontnam!

O, vaders, moeders, met je vele kind'ren...
Wie geeft hun voortaan 't karig daag'lijksch brood?
Wie kan uw smarten en hun leed vermind'ren
In dit gestadig sterven, in die nood?

In 't knagend vragen, hoe lang dit moet duren,
Dit ondergaan in ongerechtigheid.
Dit trage gaan der dagen en der uren,
Terwijl het hart om hulp, om uitkomst schreit.

Zij trekken heen en wolken pakken samen;
De regen klettert op de wegen neer;
De hagel ratelt door gebroken ramen;
Zij vinden 't goed; het deert hen weinig meer.

Zoo gaat het dag aan dag en elke morgen
Voegt nieuwe rampen toe aan 't oud verdriet;
De avond maakt geen eind aan 't daaglijksch zorgen,
De nood is hoog en uitkomst is er niet.

Het nieuwe jaar brak aan; 't was of we waren
Genadert d' ingang van een donk're krocht,
Een vuil riool vol dood'lijke gevaren,
Een toekomst als een monderlijk gedrocht.

Was dan zòò ijdel al ons werken, zwoegen;
En was ons leven dan totaal verbeurd?
Was àlles rot wat wij aan vruchten droegen,
En enkel waard te worden afgekeurd?

We werken hard; we vulden onze schuren;
Nu konden we weer verder voor een jaar;
Een nieuwe winter konden we verduren:
We hadden alles keurig kant en klaar!

Krankzinnig loopt een oude vrouw te gillen;
Ze roept om kind'ren die ze nimmer had!
Een zieke ligt van angst en koorts te rillen
En ijlt om wat hij gister nog bezat....

Zòò staan ze langs de straten aangetraden;
Nog vragend: "Heeft het oude afgedaan?"
"Is er nog hoop?" Zooals in 't ver verleden,
Het oude volk in ballingschap moest gaan.

Koud is hun huis; verlaten zijn hun landen;
Het overviel hen, al wat nu gebeurt:
Ze zijn als slaven met gebonden handen;
Als schepen van hun ankers losgescheurd.

Waar zullen zij een goede haven vinden?
En wanneer eindigt deze donk're tocht?
Zien zij terug al wat zij zoo beminden?
Waarom zijn zij met al dit leed bezocht?

Het water zwalpt; de grauwe golven klotsen....
De wolken vluchten; zware loomheid zakt
Op mensch en beest; de loge wagens botsen
De donk're boot op, die wordt volgepakt.

De maan schiet achter schuwe wolkenflarden....
De kale takken zwiepen in de wind....
Ze kreunen mee de klaagzang der benarden.
Waarin berusting dof de hoop verwint.

Daar staan ze met de wanhoop in de oogen;
Hun voertuig zwichtte voor te zwaar een last;
En paarden worst'len in onmachtig pogen:
De weg is glad, hun wagen hoog getast!

Daar zijn er die hun dooden achterlieten
In 't snel gedolven graf in hof of tuin;
Er was geen tijd om tranen te vergieten;
Wat baten tranen ook bij zooveel puin!

Daar werden kind'ren onderweg geboren;
Ze konden in geen kribbe neergelegd;
Daar zijn er die al hun bezit verloren,
En hopen bleven: "'t Komt nog weer terecht!"

Ze waren heen; toen kon de waanzin woelen
In 't niemandsland van scherven en van lood;
Daar kon de demon al zijn driften koelen,
Genietend van vernietiging en dood....

Maar, over 't water, rijst de slanke toren,
Scherp tegen 't blauw, zijn top van grijze lei,
Zijn wijzerplaat als goud in 't zonnegloren,
Hij roept mij toe: "Gij ook, gij wordt weer vrij!

Uit: Frontgedichten - J. Kuyl Jr.