Dichter: Kuyl, J. Jr. Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
 
ps. 114.
Toen God, met sterke hand, 't verdrukte Israël,
't Verkoren volk van Jacob uit Egypte leidde,
Toen Hij het vrijvocht en na lang weerstreefd bevel,
Het uit de druk van vreemde zede en taal bevrijdde,
Toen schiep Hij Juda tot Zijn heil'ge tempelwoning;
En Isrels rijksgebied erkende Hem als koning.

De zee zag hoog de wond're herdersstaf geheven;
Ze vlood en liet een breede baan ter doortocht vrij;
Het water der Jordaan werd achterwaards gedreven,
De heuvels huppelden als lammeren voorbij;
In deining golfde 't bergland als een kudde rammen,
Bij d' aanblik der tot vrije dienst geroepen stammen.

Waarom zijt gij, ontemb're zee, vol schrik gevloden?
Waarom hebt gij, Jordaan, u achterwaarts gekeerd?
Wie heeft u zoo volmaakt gehoorzaamheid geleerd?
Wie deed, als rammen, u, o bergen, opwaarts dringen?
Wie leerd', o heuvelen, als lammeren u springen?

Gij gansche aarde, beef voor 't aangezicht des Heeren,
Die heuvel, berg, rivier en zee tot aanzijn riep;
Voor Jacobs God, wien al 't geschapene moet eeren,
Die voor Zijn dorstend volk een stroom van water schiep
Uit harde rots; fonteinen uit een kei liet springen:
Al wat door Hem bestaat, moet Hem ter eerde zingen!

Uit: Frontgedichten - J. Kuyl Jr.