Dichter: Kuyl, J. Jr. Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
Jer. 31.


Ze hebben lang gewoond in 't land van melk en honing.
Ontvingen overvloed van zegen uit Gods hand;
Maar hun dwaalzuchtig hart miskende steeds dien koning,
Die hen uit 't diensthuis bracht in hunnen vaad'ren land.
Toen werd uit Jaweh's mond dit bitt're woord geboren;
"Bid niet meer voor dit volk; Ik zal u niet verhooren!"

Toen rees in 't rustig oord van Rama's grenslandouwen
De bange jammerklacht van Rachels moedersmart;
De oude richterstad kreeg Gods gericht t' aanschouwen,
Het oordeelszwaard doorsneed het rouwend moederhart.
Zij, die gehoopt had in hartstochtelijk verlangen,
Verloor de kind'ren die z'in doodsnood had ontvangen.

Want in het helder licht van Rama's wijde velden
Stond Nebuzaradan; daar stond de droeve stoet
Tot uittocht klaar; daar klonk het schamp're schelden
Van Babels troep;  daar snikten ballingen hun groet,
Hun laatste groet aan 't vaderland, dat zij verloren,
Omdat zij naar der vaad'ren God niet wilden hooren.

Daar stonden ze met smaad en ketenen beladen;
Nergal Sarezers macht had hen geheel verplet.
En toen Rabsaris' troepen 't heiligdom vertraden,
Had God niet meer gehoord naar 't laat ontwaakt gebed;
Maar nacht van ballingschap is over hen gezonken
nadat het barsch bevel tot aftocht had weerklonken.

Uit: Frontgedichten - J. Kuyl Jr.