Dichter: Kuyl, J. Jr. Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
Kan het zijn, dat Gods kind'ren een waarschuwing krijgen,
Als het eind van hun leven op aarde genaakt?
Kan het zijn, dat zij onze ellenden ontstijgen,
Als in hen, onbewust hooger leven ontwaakt?

Kan het zijn, dat het denken aan 't eeuwige leven
Zóó hun geest door zijn grootschheid verbaast en ontzet,
Dat hen 't graf en de doortocht door doodsnood doen beven,
Dat zij wankelend vragen wie helpt en wie redt?

Kan het zijn, dat ze dralen, hoewel ze bereid zijn;
Omdat zoveel dat lief is, beneden hen bindt;
Dat ze omzien; maar angst voor het oordeel reeds kwijt zijn;
Dat het oude hen vasthoudt als 't nieuwe begint?

Zie, zoo was het met haar die ik jaren reeds kende
Als een vrouw, die, geboren uit boerengeslacht,
Zich aan arbeid van landbouw en veeteeld gewende,
En de vragen van zijn en niet-zijn overdacht.

Over 't rustige land is de oorlog gekomen;
Zij die meenden: "Aan ons gaat het onheil voorbij",
Zagen plotseling al hun bezit hun ontnomen;
Toen begrepen ze: "Nu komt het oordeel aan mij!

"Als de vijand", hoopt' ieder, "het land moet verlaten,
"Keeren welvaart en vrede en rust tot ons weer",
Maar op landen en dorpen, doorwond door granaten,
Stortten bommen uit duikende vliegtuigen neer.

Toen kwam d'angst voor den gruw'lijken dood door de scherven
En de zucht om te leven werd machtig en groot;
Als 't kanonvuur ontbrandd' over huizen en erven,
Was het kelder of graanschuur, die veiligheid bood.

Eerst het licht aan de lucht; dan het doffe gerommel,
Even later 't ontstellend gehuil; dan de slag....
Bij het naad'rend granaat en kartetsen getrommel
Wachtten velen vol beving 't begin van de dag....

Toen is het ook over haar die verschrikking gekomen:
Onder 't knett'rend geweld viel haar woning ineen;
In een oogenblik tijds werd haar leven genomen,
Want een enkele scherf scheurde dwars door haar heen.

Vol van huivering was ze voor 't lot dat haar wachtte,
Door de dreiging des doods kon ze 't leven niet aan;
Toen de weg tot het licht ging door doods donk're nachte,
Heeft haar God door die nacht niet alleen laten gaan.

Zoo kan 't zijn, dat Gods kind'ren van vreeze vervuld zijn,
In de branding van oordeel en lout'rend gericht;
Zoo kan 't zijn, als Zijn wegen in wolken gehuld zijn,
Dat zij wank'len, al stijgt toch hun weg tot het licht;

Maar eens zullen zij allen vol dank voor Hem staan,
Want Hij heeft z'in die nacht niet alleen laten gaan.

Uit: Frontgedichten - J. Kuyl Jr.