Dichter: Jacobsen, Thomas Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
het is nu zestig jaar geleden,
het was toen donderdag dertig maart
maar het voelt aan als was het heden,
en het wordt met dank in ’t hart bewaard:
toen werd door haar het ja gegeven,
wat twee en vijftig jaar mocht duren,
bijna het hele mensenleven
mochten beiden dat scheepje sturen

zo voeren zij op de levenszee;
maar toen kwam daar een schip aanvaren
dat nam onze stuurman Willy mee,
zij was zes en zeventig jaren;
zij ging van de zee naar ’t vaste land
waar de Stad is, waar dat schip heen voer
naar vast bestek, en met sterke hand,
want de Grote Loods stond aan het roer

zij is in Sion aangekomen,
in De Stad met koninklijke pracht;
nu ziet zij, wat zij had vernomen
hoe dat is, voor wie de Heer verwacht:
zij is met heerlijkheid omgeven,
voor haar is de reis op zee volbracht,
zij is bij Hem in ’t eeuwig leven,
zij heeft glorie, waar zij op ons wacht

het schip van ons is nog op de zee,
het moet wellicht nog even varen
voor het koers mag zetten naar de ree,
aan ’t einde van de levensjaren,
naar de haven om af te meren,
daar, aan d’overzijde van de zee,
in het land van de Heer der Heeren;
en engelen, die nemen ons mee

naar Sion, waar onze Koning is
in Jerusalem, Stad der Steden,
voor ons, haven der behoudenis;
daar is zij, in het eeuwig heden;
zij die nu na bijna acht jaren
-zich verblijdend in God’s zonneschijn-
wacht op allen die haar lief waren:
om samen eeuwig bij God te zijn

we zien elkaar in Jerusalem,
dat was wat we hier van haar hoorden,
loof onze Heere met hart en stem,
dat waren hier haar laatste woorden;
wij zullen voor altijd zijn bij Hem,
de Grote Loods op de levenszee;
loof onze Heere met hart en stem
dat zingt zij, en wij doen ’t met haar mee

bij Jesaja 33 : 20 – 24