Dichter: Winter, Hans Er staat copyright op dit gedicht. U mag dit gedicht alleen verspreiden als u de auteursnaam vermeldt. U mag naast de auteursnaam ook de bron vermelden: www.gedichtensite.nl
Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
keer
op keer
krijgen wij
winters witjes
gelijk ons kwijt
‘t lopen weer te leren.
gelegen komt ‘t op je toe.
om hoopvol te voelen hoe goed
je dat doet. dat voetje voor voetjes
langszij gezwaaid wees er gegroet. zo
geheel uit één stuk. want al je aandacht
vraagt het. wat een kruk, draagt ‘t vervolgens
aan, dat jeukende juk, niets te zien zo traag dan
dit. die stuntelindruk. kun je vandaag dus niet beter
terug? al te zeer bezeerd. hoe lang moet je dit door
gaan verduren? je bent er maar mooi mee bezocht.
maar toch dorst je. ben je weg van ‘t onbewogen
wezen op je tocht. en ja hoor verdraaid nog an
toe, snap je die stap, van zomaar ingenomen
geluk, die niets nog verend ingekeerde
tred, als een lichte knispering
op het gewis weids
ogend wit wat
wil je stil
tapijt.

*gebukte, neem neder mijn juk*
[naar mat. 11:28-29]